Home Column Hommage aan Ljori
Hommage aan Ljori
maandag, 24 oktober 2011 18:21

Hommage aan Ljori

 

Nou moe. Dat is een uitdrukking die tekort schiet, maar tegelijkertijd ook altijd (voor mij) zo goed heeft weergegeven hoe machteloos je je kunt voelen. Nou moe. Je staat erbij, je handen bungelen langs je lichaam, je ogen kijken, maar verder kun je er ook niets mee. Lijdzaam je verbazen. Iets wat onmogelijk leek, gebeurt gewoon, zomaar ineens.

 

Afgelopen week ging onze Ljori dood. Tien jaar oud. Een kei van een IJslanderruin, bij ons geboren, grootgebracht, ingereden door Nike Kempers –die helemaal verliefd op hem was- en door ons meegenomen naar Roemenië. Waar ik er zo graag op reed, ter afwisseling van mijn driftige paardje Grimsey. Omdat Ljori een gentleman was, een heer in hart en nieren. Nooit een stap verkeerd, 100% betrouwbaar en lief, zo lief. Hij heeft één keer een dreun van me gehad, toen hij op zoek naar een lekker hapje mij gewoon in mijn rechterborst beet. (De buurman verpest een beetje onze paarden met dat voeren uit handen en broekzakken, hij noemt dat liefde.) Het deed zeer en van de weeromstuit gaf ik hem een flinke tik op zijn neus. Ik vergeet nooit meer die verbaasde blik, die grote ogen waarmee hij me aankeek. Ik hoorde hem zeggen: nou moe, ik dacht dat wij toch vrienden waren? En dat waren we natuurlijk ook. Van jongs af aan, tot aan het eind der dagen. Alleen was dat laatste er veel sneller dan ik had verwacht.

 

Dinsdag is Ljori ziek. We zien het aan de manier waarop hij in de wei ligt. We gaan naar hem toe. Er loopt viezigheid uit zijn neus. In stralen. Het is voedsel. Ad trekt zijn riem uit zijn broek en doet die om de nek van Ljori en deze staat op en loopt met hem mee. Kijk, dat was Ljori, die nam je aan de broekriem gewoon mee. Thuis gaat hij op stal en we bellen de veearts die er binnen een uur is. Hij bekijkt het paard omstandig. Hij denkt niet aan een slokdarmblokkade, iets waar wij eigenlijk wel aan denken. Hij besluit Ljori ontspanningsmiddelen te geven en pijnstillers. We moeten het de nacht over even aanzien, morgenochtend komt hij weer. Die avond gaan we rusteloos naar bed. Slechte nacht. Ik ben bang dat hij er in blijft, waar dan ook in. Een neussonde heeft onze veearts niet, die heeft niemand in de wijde omtrek. Dat is ook Roemenië. Laat staat dat je in de buurt een echoscopie kunt laten maken. Dus eigenlijk weten we niet wat er met hem is. Behalve dat het niet goed gaat.

 

De volgende ochtend is Ljori een stuk rustiger. Hij heeft ook weer aandacht voor zijn omgeving. Komt naar ons toe. Maar hij is nog steeds trekkerig in zijn buik (ik kan het niet anders noemen) en zijn ademhaling is nog steeds te gejaagd. Maar het lekken uit zijn neus is gestopt. Zijn ontlasting is normaal. De veearts geeft hem opnieuw kalmerende middelen, ontspanningsmiddelen en pijnstillers. Hij komt aan het eind van de middag weer kijken.

 

Eind van de middag. Toestand ongewijzigd. De veearts geeft hem een flinke stoot antibiotica. Ljori staat te hijgen. Hij wil niet eten, niet drinken. Dat is geen goed teken. ‘En toch zit hij niet verstopt’, houdt de veearts vol. ‘Als hij morgenochtend nog leeft, zet ik hem op de trailer en rijd ik naar de universiteit’,  zegt Ad. ‘Misschien had ik dat vandaag al moeten doen.’ De universiteit is 90 kilometer verderop. Allicht kunnen ze daar meer onderzoeken dan wij nu hier. Of zij echter ook een oplossing hebben weet niemand.

 

Het is elf uur ’s avonds. Ik ben bij Ljori en aai hem over zijn hals. Ik geef hem heel veel knuffels en praat op hem in dat hij vol moet houden. Hij heeft het benauwd, haalt te snel adem. Is onrustig. Ik ook. Ik lig 5 minuten in bed en weet dat ik geen oog dicht zal doen. Ik hoor herrie in de stal. ‘Hij gaat om’, schiet het door me heen en ik ren in mijn badjas naar buiten. In het licht van de zaklantaarn kijkt hij me echter aan, gewoon, rechtop in de benen. Ik moet me vergist hebben.

 

Ad is nog wakker, hij zit in de kamer. Beiden schieten we overeind als we weer lawaai uit de stal horen. Ad rent naar buiten, komt weer naar binnen, doet de slaapkamerdeur open. Ik zit rechtop in bed en weet wat er komen gaat. ‘Ljori gaat dood. Ik heb de veearts gebeld hem uit zijn lijden te verlossen. Als hij niet voor die tijd al weg is.’

 

Samen zitten we aan het hoofd van onze lieve vriend, die languit in de stal ligt, zijn benen strekt en intrekt, zijn hoofd beweegt en naar adem hapt, het zijn stuiptrekkingen die al met al nog geen 5 minuten duren. Hij spert nog één keer zijn mond open en verstijft dan in die beweging, hij zakt weg in het stro en dan is het helemaal zomaar voorbij. Wij houden elkaars hand vast, in stilte, en strelen samen zijn wang. Dat was het dan. Zo snel, zomaar, foetsie uit mijn leven. Van de ene op de andere dag. Nou moe.

 

Het is voor jullie misschien onbegrijpelijk, maar Ad stelt voor om Ljori de volgende dag open te maken en ik ben het er mee eens. We willen weten wat er met ons paard is gebeurd. Om de volgende keer sneller te kunnen ingrijpen, om ontslagen te worden van het gevoel dat we nu misschien iets niet goed gedaan hebben.

 

Hier is geen Rendac die je kunt bellen om je dode paard op te halen. Hier moet je alles zelf doen. Dus moet zo’n paard de stal uit, met banden om zijn benen aan de trekhaak van de auto. Het kan niet anders. De veearts wil eerst met ons de slokdarm openmaken, omdat wij ervan overtuigd zijn dat er een voedselprop of hard voorwerp in is blijven steken. ‘Daar zit het niet’, zegt onze veearts stellig, maar eerlijk gezegd zijn we eigenwijs. We hebben alles gelezen op internet, en de symptomen kloppen. Maar als hij bijna de hele slokdarm naar buiten getoverd heeft, moeten ook wij constateren dat daar niets aan te ontdekken valt. Ik ben daar ergens blij om. Niets zo onverdraaglijk als een stomme prop voer waar je paard in blijft en die ik er desnoods met de tuinslang uit had willen blazen! Wat natuurlijk helemaal niet mag en kan, dat weet ik ook wel.

 

Maar wat is het dan? ‘Gaan we verder?’ leg ik aan Ad voor. ‘Wat mij betreft wel’, zegt hij. Ik wil ook. Vooral omdat de veearts blijft wijzen op de buik van Ljori en zegt: ‘daar, daar zit het probleem. In de buurt van de maag.’ Ik wil het weten. En al is het mijn dode vriend die daar ligt, hij is wel dood. Hij voelt niets meer. Hij is weg. Ljori is terug naar zijn eerste eigenaar, zou een kennis van mij zeggen. Een uitdrukking die ik altijd heel erg mooi heb gevonden. En die je toch doet hopen dat er inderdaad een paardenhemel is, voor lieve paarden zoals hij.

 

Maar eerst even terug op aarde. Onze vriend Tarfin komt op verzoek met de shovel. Ja, dit is het wilde westen. We rollen Ljori in de kuip, met zijn buik omhoog. Tarfin rijdt de shovel weer van het erf af, hij rijdt de zandweg op en dan de berm in. Daar laat hij de kuip weer zakken. Daar maakt de veearts Ljori open. Eerst ziet alles er normaal uit. Maar al snel valt ook ons de gele kleur op van weefsel, overal gele lijnen en vlekken. De veearts haalt zijn hele buik leeg. Gal, overal gal, legt hij uit. Hij haalt de lever tevoorschijn. Hij legt uit dat paarden geen galblaas hebben, dat gal in vrij constante hoeveelheden rechtstreeks door de lever aan het maagdarmkanaal wordt afgegeven. Dat dit prima werkt, tenzij die lever niet goed is. Ljori’s lever is duidelijk niet goed. Al heel erg lang niet. De vergeling zit overal, de gal heeft hem langzaam maar zeker vergiftigd. Daar is ook mijn moeder aan overleden, denk ik bizar genoeg ineens op dat moment. Maar het is wel waar. Ook zij was niet meer te helpen, toen het gif eenmaal in haar lichaam zat. Wat een vreemde speling van het lot. Want zeldzaam is deze ziekte wel, zegt onze veearts.

 

Ik ben enorm opgelucht. Dit is niet onze schuld, we hadden niets meer voor hem kunnen doen. En dus voel ik me heel kalm wanneer Tarfin met de shovel wegrijdt. Ljori’s vier benen steken aan de voorzijde uit boven de kuip. Tarfin brengt hem naar de kadaverput. Hij redt zich wel alleen, zegt hij, en dat is lief.

 

Pas in de uren en de dagen daarna voelen we ons waardeloos en verdrietig en huilen om onze veel te jong vertrokken kameraad. Zo’n superpaard waar ook onze gasten in hun eentje mee door de heuvels konden rijden. Waarmee ik zo prachtig op een nieuwjaarskaart poseerde (zie eerste foto). Zo’n paard dat een eerbetoon verdient op deze site. Onze trouwe fijne Ljori.

 

Zo heb je ze maar zelden. En altijd veel te kort.